Proza Voor de Ziel

Het Treurspel van de Verloren Fiets

Op de plaats waar zijn fiets hoorde te staan, resteerde niets dan leemte. De gure wind die Groningen verzwolg, nam nu ook bezit van zijn lijf. Al dagen kwam de temperatuur niet boven het vriespunt uit en het aanzicht van de ijskristallen op de andere fietsen bevestigden de snijdende kou voor Sem. Met zijn fiets zou hij binnen vijf minuten thuis zijn, maar de wandeling zou zeker een kwartier duren. Had ik hem eigenlijk wel hier gelaten, vroeg Sem zich twijfelachtig af. Hij liep nog vier rondjes door de fietsenstalling, alleen maar om tot de conclusie te komen dat zijn fiets echt weg was. Het was geen dure fiets – bij aanschaf wist Sem zelfs vrijwel zeker dat hij aan het helen was. Als student kon hij zich dat permitteren, rechtvaardigde hij. Toen hij zijn noodlot eindelijk accepteerde, leunde Sem tegen een hek aan en dacht hij na over zijn volgende stap. Ik ga die fiets verdomme terugvinden, besloot hij. Hij had toch net een tentamenweek achter de rug en aanwezigheid bij de nieuwe colleges was niet verplicht. Genoeg tijd, besloot hij.

Die avond stond Sem bij de fietsenstalling te wachten. Hij zag de mensen komen en gaan. Een groep meisjes zette hun fiets op slot en met een volume waarvan Sem de mate aan de overdreven kant vond, vertelden ze elkaar dingen die eigenlijk niet veel boeiend waren. Een van de meisjes was een beetje aan de dikke kant. Eigenlijk viel het wel mee, maar de aanwezigheid van een onderkin was voor Sem voldoende om het meisje in de categorie zwaarlijvig te plaatsen. Ze was gisteravond op een feestje geweest, waar ze met Teun had gesproken, zo reciteerde ze met een schorre rokersstem. Wat er dan precies besproken was, werd niet duidelijk, maar toch reageerden de andere meisjes enthousiast, alsof het heel bijzonder was Teun te spreken. Teun moet wel een belangrijke jongen zijn, dacht Sem bij zichzelf. Het luide geklets zwakte langzaam af terwijl de meisjes in het stationsgebouw verdwenen. Precies op dat moment hoorde Sem een metaalachtige klank. Hij keek naar de bron van het penetrerende geluid en zag een man met warrig haar een metalen staaf oppakken. Een fietsendief, dacht Sem, verrek. Hij snelde ernaartoe. De fietsendief was een magere man, nauwelijks langer dan Sem. Op het moment dat hij Sem zag naderen, probeerde hij zich uit de voeten te maken. ‘Wacht even,’ gebood Sem hem, ‘ik wil alleen weten of je mijn fiets hebt gestolen.’ De man bleef doorlopen. Hierop versnelde Sem zijn pas en greep hij de man bij de arm. De man keek angstig om. Sem zag zijn ogen, diep in zijn oogkassen verscholen, en zijn ingevallen wangen. De man stonk. Duidelijk een junk, nam Sem aan. Hij bood de man een sigaret aan. ‘Doe rustig, ik ben niet uit op problemen. Ik wil alleen mijn fiets terug. Vanochtend stond hij hier niet meer.’ De man nam zonder aarzelen de sigaret aan, maar bracht deze niet naar zijn mond. Hij antwoordde en terwijl hij dat deed, zag Sem zijn droge en schilferige lippen even aan elkaar plakken voordat ze elkaar loslieten. ‘Ik heb je fiets niet, ik ben hier vandaag voor het eerst.’ Sem keek naar de metalen staaf in zijn hand. ‘Hoe werkt dit eigenlijk?’ vroeg hij de man, die hem daarop aankeek alsof Sem een idioot was. Sem merkte dat de man het gevoel had dat hij geplaagd werd. ‘Nee, ik vraag u oprecht hoe u met een staaf een fiets open krijgt. Ik zou het echt niet weten.’ ‘Het is simpel,’ antwoordde de junk terwijl hij nu de sigaret in zijn mond legde. Sem stak hem aan. ‘Ik duw de staaf in een van de schakels van een kettingslot en draai dan aan de staaf. De ketting breekt dan.’ Sem grijnsde om de vindingrijkheid van de junk en antwoordde betweterig dat de hefboomwerking de ketting dus breekt. De man keek hem weer aan alsof Sem hier de idioot was, maar Sem trok zich daar niets van aan – de man is immers zelf een idioot als hij de simpele natuurkunde achter zijn eigen techniek niet begrijpt. ‘Maar goed,’ zei de man, ‘ik weet wel wie je fiets waarschijnlijk heeft. Kost je alleen een euro.’ – ‘Wat nu,’ reageerde Sem verontwaardigd, ‘ik heb je toch een peuk gegeven?’ De man lachte op een dusdanige manier dat Sem er gefrustreerd van raakte. ‘Voor die peuk heb ik je uitgelegd hoe je een ketting openbreekt, voor de resterende informatie vraag ik een euro.’ Sem greep de man bij zijn kraag. ‘Luister eens mongool, vertel het me of je krijgt een dreun waar je hoofd zo van gaat tollen dat je geen shotje meer nodig hebt voor de rest van de dag.’ Sem walgde van zijn eigen sneer over het vermoedelijke drugsgebruik van de man. Toch zag hij dat het effect had, want de junk was geen heldhaftig type en schrok van het dreigement. ‘Goed, hier heb je een euro,’ zo corrigeerde Sem zichzelf. ‘Vertel het me.’ – ‘Elke zaterdag- en zondagochtend, vlak voor dageraad, komen twee mannen in een busje datzelfde busje inladen met verscheidene fietsen van deze stalling. Wie het zijn en waar ze heen gaan, weet ik niet. Maar gezien het morgen zondag is, vermoed ik dat ze er weer zullen zijn. Als je ze opwacht moet je ze haast wel betrappen.’ Sem voelde zich als een detective. Met gladde praatjes en zelfs een dreigement had hij informatie losgepeuterd van een getuige. Dit was spannender dan zijn bachelor Criminologie. ‘Bedankt, euh, hoe heet je eigenlijk?’ ‘Constantijn’, antwoordde de junk. ‘Constantijn?’ Sem kon zijn lach niet inhouden. ‘Ja, Constantijn. Constantijn van Hoensbroeck.’ Sem vond de naam niet bij het type passen, maar zei er maar niets van. Een belediging per dag volstaat. De man liep weg zonder fiets, maar wel met een sigaret en een euro.

Sem besloot de nacht door te trekken. Hij nam hiertoe een Ritalin uit zijn zak. Hiermee moet het lukken, dacht hij bij zichzelf, en hij slikte het pilletje in. Tegen beter weten in doodde hij de tijd door bier te gaan drinken in de kroeg. Hij wandelde een kroeg binnen aan het Zuiderdiep waar hij nooit eerder was geweest. Binnen stikte het van de dikke, oude mannen en een paar vrouwen waarvan hun huid allang de strijd had verloren met Vadertje Tijd. Hun decolleté vertoonde een leerachtige, bruine huid, vol met rimpels en vlekken. Het vele bruinen in hun jonge jaren had de vrouwen geen goed gedaan. De versleten barkrukjes waren er niets bij, al vermoedde Sem ook wel dat er meer mannen op die vrouwen waren geweest dan op die barkrukjes. Sem liep naar de bar en bestelde een pilsje. Zoals de barman hem aankeek, deed Sem vermoeden dat hij hier niet welkom was. Maar een klant is een klant en de barman tapte een biertje voor Sem, die hij behendig met zijn spatel afschuimde. Het aan de buitenkant natte glas gaf hij aan Sem zonder iets te zeggen. ‘Bedankt,’ mompelde Sem met een trillende stem. Hij nam een slok van zijn ijskoude bier en slaakte daarna een zucht. Na elke daaropvolgende slok keek Sem angstvallig om zich heen. Sem was zulke ruige mannen niet gewend. Toen besefte hij dat hij vandaag nog een junk had bedreigd en dat hij eigenlijk best wel stoer was. Hij vermande zich en besloot de man naast hem aan de bar aan te spreken. ‘Het is weer eens iets anders dan de studentenkroegen.’ De man negeerde hem. ‘Ik vind het wel wat hebben hoor.’ De man keek opzij naar Sem en vroeg hem of hij het tegen mij had. Sem knikte bevestigend. ‘Zo is dat, jongen,’ antwoordde de man. ‘En wat brengt jou hier?’. ‘Nou,’ reageerde Sem, ‘ik moet een nachtje doortrekken, want ik ga morgenvroeg bij de fietsenstalling mijn fietsendieven opwachten.’ De man lachte spottend in barsten uit. Hij tikte zijn buurman aan om hem erop te wijzen dat hij mee moest luisteren. ‘Ben je betoeterd, jongen? Zou je je daar wel mee inlaten?’ ‘Hoezo niet?’ vroeg Sem. ‘Daar krijg je gezeik mee, jongen. Koop gewoon een nieuwe fiets van een junk op de Grote Markt.’ ‘Het is een principekwestie,’ antwoordde Sem. De man riep lachend zijn vrienden bijeen om dit verhaal aan te horen en de nacht verstreek, tot Sems verbazing, met veel gezelligheid – al was hij niet helemaal te spreken over de handtastelijkheid van de vrouwen met gerimpelde decolletés.

Hoewel de lage zon doorbrak om de ijzel op te doen lichten, was het die nacht flink afgekoeld en trok Sem die ochtend zijn bruine leren handschoenen aan. Hij zette de kraag van zijn jas omhoog en wikkelde zijn sjaal om zijn mond. Elke uitademing condenseerde bij het verlaten van zijn neus, terwijl hij bij de fietsenstalling op wacht stond. Het duurde niet lang voordat er een aftands busje aan kwam rijden. Het busje kwam met piepende remmen tot stilstand bij de fietsenstalling. Sem zag dat het witte busje een grote roestvlek aan de zijkant had. De chauffeur en zijn passagier stapten uit en gooiden het busje aan de achterkant open. Beide waren grote, stevige mannen. In de nek van de chauffeur was een kronkelend tatoeage zichtbaar. De andere man was kaal en keek vervaarlijk uit zijn ogen. Sem aarzelde even, maar raapte zijn moed weer bijeen. Hij bleef de mannen in de gaten houden. De mannen tilden elk een fiets uit de stalling en gooiden die achterin het busje, zonder het slot open te breken. Dit herhaalden ze een paar keer tot het busje volgeladen was. Op het moment dat de mannen het busje weer afsloten, slikte Sem en stapte hij op de mannen af. ‘Heren,’ riep hij de mannen toe, ‘zou ik u wat mogen vragen?’ De mannen keken hem dreigend aan. ‘Bent u van de gemeente?’ De mannen zwegen. ‘Ik wil alleen mijn eigen fiets terug. De rest interesseert me niet zo.’ De mannen keken elkaar aan en stapten op Sem af. De kale man greep hem bij zijn arm. Zijn greep was stevig, een primitieve kracht die Sem deed schrikken. De chauffeur reageerde. ‘Hoe heet je, jongeman?’ – ‘Sem’ – ‘Sem,’ vervolgde de man, ‘wij hebben je fiets. Gisteren hebben wij er ook een aantal meegenomen. Ik weet zeker dat jouw fiets daar ook tussen zat. We gaan die fiets verkopen. Interesse?’ Sem snuifte. ‘Dat lijkt mij niet de bedoeling. Ik wil gewoon mijn fiets terug en dan laat ik u ook verder met rust.’ Nog voordat hij zijn zin had afgemaakt, landde er een klap op Sems oog waar hij duizelig van werd. Hij dreigde door zijn knieën te zakken, maar de kale man trok hem op aan zijn arm en sleepte hem naar het busje. De chauffeur gooide de achterdeur open en Sem werd op de stapel fietsen gegooid. De deur sloot en niet veel later begon het busje te rijden.

Het busje kwam tot stilstand. Sem vermoedde dat de reis nog geen kwartier had geduurd. Buiten hoorde hij gemurmel. Het lukte hem niet de woorden te onderscheiden. Plots werd Sem verblind door veel licht. De deur ging open en hij werd uit het busje getrokken en met behendigheid op de grond geworpen. Sem keek om zich heen. Hij bevond zich in een soort loods, een kale ruimte met alleen fietsen en vier mannen om hem heen, waarvan twee zijn ontvoerders. ‘Laat me gaan. Je mag de fiets houden. Ik was niets van plan!’ smeekte Sem hen. ‘Dat is niet aan ons,’ antwoordde de kale man. ‘De baas beslist over jouw lot.’ De chauffeur pakte een krukte en instrueerde Sem daarop plaats te nemen. Sem gehoorzaamde. ‘Wie is de baas?’ mompelde Sem voorzichtig na een paar minuten. ‘Hij komt eraan.’ Sem hoorde voetstappen achter zich. Hij zag dat de vier mannen nederig hun blik naar de grond wierpen, alsof ze de duivel zelf aanschouwd hadden. Sem draaide zich om. Hij herkende de man meteen. ‘Het is mij een waar genoegen elkander weer aan te treffen,’ vatte Constantijn van Hoensbroeck aan, ‘doch onfortuinlijk dat het op deze wijze dient te moeten geschieden.’ Het was verdomme de junk van gisteravond, dacht Sem bij zichzelf, maar nu met zijn haren strak naar achter gekamd en een driedelig pak met daarboven een manteljas. Zijn diepe ogen en ingevallen wangen had Van Hoensbroeck nog wel, vernam Sem. ‘Ziet u, Sem, de fietsenhandel is zeer lucratief van aard. Er gaat een wereld achter schuil waar u zich niet mee had moeten inlaten. De reden dat mijn mannen vrij spel hebben hun bus vol te laden, is omdat ik het politiekorps van Groningen in mijn handen heb. Deze stad draait om fietsen. De studenten kunnen zich financieel niet meer veroorloven en om te voorkomen dat de werkende man zich tot auto’s wendt, ben ik zo vrij geweest de politiek in mijn voordeel te gebruiken en wel door de stad nagenoeg onbegaanbaar te maken voor gemotoriseerde voertuigen. Het lot van een ieder die mij durft te tarten is hetzelfde als die van menig fiets: op de bodem van de grachten. Ik moet zeggen, een dergelijk noodlot is mijns inziens tragischer voor de fiets dan voor de mens. De fiets heeft immers vele generaties doorstaan. De fiets is ontelbare keren van eigenaar gewisseld. De fiets draagt het levensverhaal en de diepste geheimen van al zijn bezitters bij zich. Het heeft gezien hoe zijn eigenaar stierf aan de tirannie van de nazi’s in de Tweede Wereldoorlog. Het heeft gezien hoe hij door de provo’s wit gespoten werd en als een hoer van eigenaar moest wisselen, om gebruikt en achtergelaten te worden. Het heeft gezien hoe menig studente een andere route nam na een nacht in de kroeg, om overspel te plegen. De fiets heeft valpartijen overleefd, krassen opgelopen, onderdelen laten vervangen. Thans ligt die fiets op de bodem van de gracht, weg te roesten en tot niets te vergaan. Het levensverhaal van een mens weegt niet op tegen de honderden die een fiets bij zich draagt. Derhalve heb ik er geen moeite mee om hen die de fiets niet respecteren het zelfde noodlot te laten ondervinden. Maar voor u heb ik iets anders in petto, Sem. U kwam immers uw fiets terughalen. U gaf om uw fiets.’ Sem zag dat de ogen van de man roodgloeiend werden. Zijn mondhoeken krulden omhoog en een angstaanjagende grijns sierde zijn gelaat. ‘Sem,’ vervolgde Van Hoensbroeck. ‘Ik deelde al mee dat de fietsenhandel lucratief is, edoch niet om haar centen. Hoe meer fietsen ik van eigenaar laat wisselen, hoe meer verhalen zij bij zich dragen. En ik, ik tier op deze verhalen. U had gelijk toen u van mij dacht dat ik een junk was. Ik ben verslaafd aan die verhalen. Aan alle zonden die die verhalen behelzen. Begrijpt u mij wel? Ik besta voor de zonde.’ Sem werd misselijk toen hij door begon te krijgen met wie hij te maken had. Hij begreep nu de angst en nederigheid van Van Hoensbroecks handlangers. ‘En u heeft de eer mij die zonden te verschaffen. Uw ziel zal zich herbergen in het metaal van uw fiets.’ Sem voelde een pijnscheut door zijn lijf schieten. Hij sloot zijn ogen en verkrampte. Toen hij weer zijn ogen wilde openen, merkte hij dat het zwart bleef. Toen hij zijn handen wilde bewegen, vernam hij dat dit niet kon. Hij wilde het uitschreeuwen, maar Sem had geen stembanden meer. Sem kreeg alles mee van zijn omgeving, maar niet meer door zijn zintuigen. Sem begreep onmiddellijk wat er gebeurd was. Sem was een fiets.

1 COMMENTS

LEAVE A RESPONSE

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *