Proza Voor de Ziel

Emmelie

Ik lag in het ziekenhuisbed met een gebroken been. ‘En waarom heb je het gedaan?’ vroeg de zuster, terwijl ze me voorzag van een plakje roggebrood met kaas. ‘Dat is een lang verhaal, zuster. Hoe lang hebt u?’ – ‘Ik heb wel even,’ repliceerde zij.

Het begon gisteren allemaal om half 8 s ’avonds. Ik had afgesproken met een vrouw, genaamd Emmelie, die ik had ontmoet via Tinder. U moet weten dat ik Emmelie al vaag kende van mijn middelbare school en dat slechts per toeval onze paden kruisten op het online date-netwerk. Ik had toen al eens rare verhalen over haar gehoord, maar dit leken mij mythes die evengoed niet serieus genomen konden worden.

‘Wat voor soorten verhalen?’ vroeg de zuster geïnteresseerd.

Welnu, zuster, ik weet dat een mens nieuwsgierig  is ingesteld als het smeuïge verhalen betreft, maar laten we zeggen dat ze niet helemaal zuiver op de graat was. Sta mij toe om verder te verhalen.

‘Vooruit, vertel verder.’

Dank. We hadden afgesproken bij een poolcenter.  Een plek waar ik vaak tinderdates mee naar toenam om twee verschillende redenen. Enerzijds bespaarde ik daar kosten mee, aangezien je daar direct moest betalen. Je vermeed daarmee dat je met een hoge rekening kwam te zitten die je, door de sociale druk, maar in zijn geheel moest aftikken. Zulke dingen hielden mij altijd wakker. Anderzijds was poolen een stuk leuker dan een saaie date waarbij je recht tegenover elkaar zou zitten.

‘Hoe was de ontmoeting?’

Dat ging moeizaam. Zoals gebruikelijk bij de date-introductie, dacht ik het volgende: wat moet ik doen? Een hand geven, een zoen op de wang, een knuffel of gewoon platonisch ‘Hallo, daar, Nick hier!’ zeggen met een quasi-grijns op mijn gezicht. Toen ik haar uiteindelijk ontmoette werd het een combinatie van een hand, zoen op de wang en knuffel. Al deze dingen werden vooraf door haar geïnitieerd. ‘We gaan eerst een zoen doen, dan een hand en daarna geef ik je een knuffel,’ zei ze. – ‘Waarom?’ vroeg ik. – ‘Om misverstanden te voorkomen. Ik kan niet tegen ongemakkelijke situaties.’

‘Rare situatie, hoe was het poolen?’

Ook dat ging moeizaam, zuster. ‘Ik wil afstoten, ik wil afstoten, ik wil afstoten!’ schreeuwde ze driemaal. Dit deed ze, maar ze had niet door dat ze haar keu verkeerd om vasthad. Vervolgens klom ze op de pooltafel en stampte ze met de achterkant van de keu op de witte bal. ‘Je hoeft geen wormen uit de grond te stampen,’ zei ik gevat. ‘Vieze kutbal!!!’ Ze reageerde niet eens en ging gewoon door, totdat de barman haar vriendelijk verzocht om te stoppen. Daarna flikkerde hij ons eruit, want ze had als klap op de vuurpijl ook nog eens poep aan haar schoenen, met als gevolg dat het hele poolkleed onder de poep zat. ‘Ik dacht dat jij niet van ongemakkelijke situaties hield,’ zei ik, terwijl we naar buiten liepen. – ‘Ja ik was in de war met een ander spel,’ zei ze. ‘Excuses hiervoor.’

Sjonge, die at haar aardappelen, spreekwoordelijk gezien, wel heel zout. Wat gingen jullie toen doen?

Ik had nog steeds zin om te neuken, dus besloot met haar naar een café te gaan waar je kaartspelletjes kon spelen. ‘Leuk, leuk, leuk!’ gilde ze in het café. ‘Welk kaartspel gaan we doen? – ‘Toepen, hartenjagen, patiencen, klaverjassen?’ opperde ik als opties. – ‘We kunnen ook pesten,’ stelde ze voor. – ‘Is goed,’ zei ik. Haar gezicht vertrok. ‘Ben jij wel helemaal goed bij je kop? Gek die je bent!’ – ‘Wablief?’ – ‘Weet je hoeveel ik vroeger gepest ben?’ – ‘Op de middelbare school? Kan ik me niets van herinneren,’ antwoordde ik nerveus. – ‘Nou, ik lieg er toch niet om?’ – ‘Wat deden ze dan?’

‘Ganzen op mij afsturen, vulpennen in mijn vingers steken, mijn hoofd in een wc-pot drukken, ‘ik wil pik’- op mijn wangen schrijven, mij uitschelden voor hoer, zeggen dat ik naar Auschwitz moet verhuizen, fietsbanden lek steken, dat soort dingen’ – ‘Dat zijn toch reguliere pesterijen?’ antwoordde ik. ‘Daar word je hard van volgens mijn opoe.’ – ‘Ook als ze je proberen te vierendelen met paarden?’ – ‘Voor zover ik weet waren er geen paarden op de middelbare school,’ antwoordde ik nerveus. Ik begon te zweten. ‘Sommige kinderen gingen verkleed als paard en probeerden mij te vierendelen.’ – ‘Dat is satire,’ antwoordde ik. ‘En je hoofd a la American History X op de stoeprand stampen dan?’ – ‘Je leeft nog dat is niet goed uitgevoerd.’ – ‘Ik was 8 tanden kwijt,’ antwoordde ze verbaasd. ‘Beter dan 9 tanden,’ antwoordde ik.  ‘Nu is het genoeg,’ zei ze. ‘Jij was ook een Pester! Ik heb je erin geluisd. Ik zag het aan die neus van je. Daarom swipete ik naar rechts. Jij was een van degenen die zich als paard verkleedde en mij probeerde te vierendelen met drie andere etters.’ Ik schrok, want ze had inderdaad gelijk. ‘Excuses,’ zei ik. ‘Maar volgens mij moet ik gaan nu.’ – ‘Blijf hier jij! Ik bel nu de politie!’ Ik zette het op een lopen. ‘Houdt de pester tegen!’ schreeuwde ze nog, maar ik was op tijd gevlucht.

Wat een verhaal. Wat gebeurde er toen?

Ik kreeg gewetenswroeging. Ik besefte dat ik, net als Emmelie, zelf ook niet helemaal zuiver op de graat was. Ik pretendeer een goed mens te zijn die vriendelijk is in de omgang, maar als de sociale situatie zich voordoet verkleed ik mij als paard en probeer ik iemand te vierendelen. Wat zegt dat over mij, dacht ik over mezelf. Wat heb ik in mijn bestaan bereikt? Alleen maar grappen proberen te bedenken en mensen pesten, puur om maar niet bewust te zijn van de nietszeggendheid van het bestaan? Alles onder ironie schuiven en nooit serieus zijn tot er ik er aan onder door ga? Is dat waar ik naar moet streven als mens? Zoude ik niet liefde moet geven, i.p.v. alleen maar ironie en satire om alles in het bestaan te ridiculiseren?

Sjonge, dat is een goed inzicht, wat deed je daarmee?

Ik probeerde een ander leven te leiden. Vanaf nu niet meer met een spottende blik alles gade slaan, hield ik me moedig voor. Elke dag als ik wakker werd, dacht ik, weer een leuke serieuze dag op deze aardkloot. Alle handelingen die ik eerst als absurd zag, bekeek ik nu met een serieuze blik. Naar de supermarkt gaan, mensen die in een rij staan, mensen die boos worden om triviale zaken, mensen die denken dat hun leven iets voorstelt, mensen die denken dat het leven niet eindig is en constant in een mechanische routine leefden. Alles begreep ik ineens. Maar dat begrip gaf tragiek, want ik haalde nergens meer plezier uit. Een ridiculiserende blik op deze aardkloot kun je nooit meer uit je brein halen, besefte ik. De enige uitweg was de dood…

God, wat een tragiek! Ik wist niet dat het zo zwaar kon zijn voor een humorist om serieus te leven!

Klopt. En ik ben nog niet eens een sterke humorist moet je nagaan.

 Maar hoe heb je de val overleeft?

Het leek me te veel pijn doen om door het raam te springen zonder bescherming. Dus sprong ik met een skippybal door het raam. Het resultaat was niet de dood, maar een gebroken been…

Toch goed dat je het overleefd hebt! Maar ik ga nu weg, moet andere patiënten helpen. Bedankt voor je inzichtelijke verhaal. Het zet mij ook aan het denken, weet je!

Ik heb in ieder geval een lekker roggebroodje. Dankjewel voor het luisteren, zuster, en succes met je wroeging! Ik besloot om even te gaan slapen. Een half uur later werd ik gewekt door de zuster.

‘Hé ik kom net terug van de dokter en hij vertelde me een heel ander verhaal. Hij zei dat je van de fiets bent gevallen. En dus niet uit het raam bent gesprongen met een skippybal. Je hebt het hele verhaal verzonnen. Er bestaat helemaal geen Emmelie en je hebt haar nooit proberen te vierendelen. Wat ben jij voor raar mens?’

Ik begon te lachen. ‘Op onze middelbare school hadden ze niet eens paardenpakken om iemand mee  te vierdelen!’ brulde ik het uit. Ook deze satire was geslaagd, dacht ik bij mezelf.

 

 

2 COMMENTS

LEAVE A RESPONSE

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Hakunamatafaka houdt van de mensheid