Proza Voor de Ziel

De Dood van Mees

In zijn vijfentwintigste voorjaar, op een woensdagmiddag, stierf Mees op tragische wijze een onnatuurlijke dood. Hij was die ochtend na veel moeite opgestaan na het veelvuldig afgaan van zijn wekker. Hoewel de eerste zonnestralen van de lente zijn slaapkamer binnendrongen door de kieren van zijn rolgordijn, was het te koud voor Mees om vrijwillig het deken van zich af te schoppen. Vandaag blijf ik gewoon liggen, had hij nog gedacht, maar zoals alle andere dagen van zijn eerste jaar als werkende man, kon hij ook die dag niet daadwerkelijk de moed opbrengen die branie door te zetten. Zo lang als hij uitstellen kon bleef hij zich omdraaien, tot vlak voor het moment dat het fysisch onmogelijk werd om nog op tijd op werk te verschijnen. Hij sprong gauw onder de douche, sloeg het wassen van zijn haren – evenals het nuttigen van een ontbijt en zelfs koffie – door tijdgebrek maar over, trok zijn kleren aan terwijl hij nog nat was en fietste met grote vaart naar het station. Onderweg benijdde hij de vrije vogels die hem van een intrigerend zangspel voorzagen.

Op het station aangekomen zag hij hoe een stilstaande trein een horde werkende mensen uitbraakte. Mees kon goed onderscheiden wie de werkende en wie de schoolgaande mensen waren. De werkende mensen hadden een verslagen blik in hun ogen. Ik ben niet een van hen – maakte Mees zichzelf wijs – want dit is tijdelijk. De laatste passagier stapte uit en de trein maakte nu plaats voor de nieuwe kudde, waar Mees onderdeel van was. Hij kreeg een duw tegen zijn schouder die moordneigingen bij hem aanwakkerde, maar die Mees toch onder controle wist te houden. Een plaats was hem niet toebedeeld: de volgende vierendertig minuten moest Mees blijven staan.

Nadat de trein de bewoonde wereld gepasseerd was en het uitzicht niets dan monotone weilanden bood, vernam Mees dat maar een kleine fractie van de passagiers een gesprek voerde. De rest keek zwijgend voor zich uit of bediende met een loffelijke vingervlugheid een mobiele telefoon. Mees maakte oogcontact met een meisje. Ze had donkere haren en nog donkerdere ogen. Haar huid was bleek, transluscent haast, en haar lippen voorzien van knalrode lippenstift. In haar witte jurk bespeurde Mees een comfort en speelsheid die hij bewonderde: ze straalde voor hem uit dat zij nog niet door mensen als zijn eigen gijzelnemers gevangen was genomen. Dit meisje, zo concludeerde hij, was een vrije geest. Ze zat niet in de trein omdat ze dat moest, maar omdat ze iets wilde doen. Het was een aanname, maar wel een die Mees enkele luttele seconden een vredig gevoel verschafte. Gauw wendde hij zijn blik af. Waarom wist Mees niet, maar toen hij uit de trein stapte, bleef hij aan het meisje denken. Niet alleen omdat ze het mooiste meisje was dat hij ooit gezien had, maar omdat ze voor hem die dag iets ongrijpbaars leek te belichamen. Ze stond symbool voor de vrijheid die Mees nastreefde.

Het was niet ver lopen naar zijn werk. Net toen de zon de aarde begon op te warmen, liep hij het kille gebouw met tl-licht binnen waar hij de afgelopen maanden vijf dagen per week had doorgebracht. Hij kwam Wouter tegen op de gang. Wouter droeg een blauwe spijkerbroek waarin hij een rood overhemd had gepropt. Daaronder droeg hij schoenen met drie afschuwelijke kleuren. Verder had Wouter op zijn hoofd blond stekeltjeshaar en zijn rechthoekige bril was er één waarvan Mees zeker wist dat zijn vrouw die uitgekozen had. Mees had altijd gevonden dat Wouter de vleesgeworden kantoorslaaf was, een soort geperfectioneerde robot, die gemaakt was met maar één doel: de productiviteit verhogen van het bedrijf waar hij voor werkte. Mees herinnerde zich op dat moment dat hij vlak na de jaarwisseling, tijdens de lunchpauze, door Wouter verplicht werd de foto’s te bekijken van zijn skivakantie. Elke foto was een kopie van de vorige: Wouter in zijn belachelijke ski-uitrusting tegen een besneeuwde achtergrond. De foto’s waren nog eentoniger dan de dagen op kantoor en de voorstelling leek eeuwig te duren. Wouter was niet eens herkenbaar op de foto’s, want zijn rotkop was ingepakt met een muts en een skibril, waardoor Mees het nut van de foto’s niet inzag. Krampachtig had Mees geënsceneerd te lachen en Wouter te complimenteren, te laf om hem te vertellen dat hij die foto’s beter kon verpulveren in de papierversnipperaar om daarna via een trechter in zijn rectum te laten glijden, desnoods met glijmiddel: dat een dergelijke escapade Mees iets meer vermaak had opgeleverd dan al die foto’s daadwerkelijk bekijken. Mees had een intense hekel aan Wouter. Hij walgde van zijn gebrek aan sex appeal, zijn volledige verlies van mannelijkheid. Wouter had hem niets misdaan, maar Mees wist diep in zijn hart dat hij op weg was een Wouter te worden. De confrontatie was hem te heftig. Daarom wilde hij hem het liefst pijnlijk en langzaam zien sterven. Die lugubere gedachte gaf Mees een klein beetje plezier op deze zoveelste werkdag en de grijns die op zijn gelaat verscheen maskeerde hij met een groet. ‘Goedemorgen, Wouter. Gauw even koffie halen hoor.’

In de kantine vulde hij een kopje met slappe koffie. Met niets in zijn maag dan deze koffie, begon Mees aan zijn werkzaamheden achter zijn computer. Verderop hoorde hij zijn collega roepen. ‘Bijna weekend, jongens!’ Mees zuchtte. Het was nog maar woensdag. ‘Niet te voorbarig, Marieke,’ antwoordde Toon, die het eens leek te zijn met Mees. Het viel Mees op dat Marieke meer op een man leek dan Toon – en Toon was nota bene een kale man van 1 meter 93 en 117 kilo. ‘Ik heb er zin in,’ reageerde Marieke op haar beurt, ‘de kinderen zijn dan een nachtje bij opa en oma.’ Mees vulde in zijn gedachten in waarom Marieke daar naar uitkeek. Hij wist vrijwel zeker dat ze spijt had van het baren van die koters en dat ze zichzelf daarmee ketens had opgelegd. Natuurlijk zou ze dit volledig ontkennen, want ze had een uitweg gevonden, een verwerpelijke vorm van escapisme. Als de kinderen van huis waren, trok Marieke vast haar leren pakje en zweepje uit de kast. Daaronder droeg ze vast kniehoge laklaarzen, waarvan de hakken bezweken onder haar gewicht zoals haar tieten een decennium geleden al bezweken waren aan de zwaartekracht. Haar echtgenoot, vast en zeker een scharminkel met dun haar en een bochel, moest dan foto’s van haar schieten, de arme man, terwijl hij zelf niet aan zijn trekken kwam. Marieke stuurde diezelfde foto’s dan naar vreemde mannen, mannen die zich hadden verlaagd tot masturberen op dat gedrocht van een Marieke, omdat ook hun vrouwen hen niet meer van bevrediging voorzagen. Weer wist Mees een grijns op zijn gelaat te toveren.

Tijdens de eerste lunchpauze dacht Mees weer aan het meisje met het donkere haar en de rode lippenstift. Hij had het talent ontwikkeld niet naar de gesprekken van zijn collega’s te luisteren. Zo kon hij helemaal opgaan in zijn gedachten. Hij fantaseerde erover het meisje op te zoeken. Zij zou dan tegen hem zeggen dat hij moest stoppen met werken. Het meisje zou hem bij zijn hand nemen en hem moed geven. Samen zouden ze ervandoor gaan. Zo zou ze hem redden. Mees vroeg zich af hoe ze zou heten. Anna vond hij wel bij haar passen. Hij doopte haar Anna. Mees wist het zeker: alleen Anna kon hem nog redden. Ze hadden toch niet voor niets oogcontact gemaakt? Het moest iets betekenen. Mees besloot een broodje met ei te kopen in de kantine. Toen hij de verpakking opentrok en het broodje openvouwde om zout en peper op het ei te gooien, bleef hij teleurgesteld twintig seconden kijken naar het kleine eitje. ‘Dit is verdomme geen kippenei, maar een mussenei!’ riep hij uit, en zijn collega’s barsten in lachen uit. Zelfvoldaan keek hij Toon aan, die normaal de grappenmaker van de groep was.

Na de koffiepauze keek Mees op zijn horloge. Half twaalf. Mees zuchtte. De uren leken niet te verstrijken. Hij had eens gelezen dat tijd relatief is. Hij sloot zijn ogen en forceerde de tijd te versnellen. Als het hem zou lukken, dan wist hij dat hij een oplossing voor al zijn problemen had gevonden. Hij opende zijn ogen. Er was nog geen minuut voorbij. Het was een waardige poging, dacht Mees bij zichzelf en hij wendde zich weer tot zijn computer. Mees troostte zichzelf met de gedachte dat de volgende pauze naderde.

Tijdens de lunchpauze besloot hij een wandeling te maken en van de lente te genieten. Hij zag hoe er winterklokjes ontsproten uit een stapel van dorre bladeren. Het leven is een cyclus, dacht hij. Jaar na jaar, seizoen na seizoen, dag na dag. Alles herhaalde zich. Er leek geen uitweg te zijn. De cyclus is maar op één manier te verbreken. Hij naderde het station en besloot daar te gaan zitten. Misschien kon hij mensen bekijken en ze uitlachen. Dat ging hem goed af. Die domme loonslaven, dacht hij. Ik weet dat het voor mij tijdelijk is, want Anna zal mij redden, maar zij gaan ermee door tot hun pensioen. Hoe kan men zo dwaas zijn? Mees staarde voor zich uit en bekeek de treinen. In de verte zag hij Anna op het spoor staan. Anna’s donkere haren werden belicht door de middagzon, terwijl enkele nonchalante plukken voor haar gezicht dansten. Haar witte jurk plakte aan een kant tegen haar heupen en aan de andere kant wapperde het in de wind. Ze leek licht te geven. Anna keek Mees aan en hief haar hand op naar hem. Mees stond op en liep naar haar toe. Haar blik was intens, maar voelde vertrouwd. Mees reikte met zijn hand naar de hare. Anna greep zijn hand vast, trok hem naar zich toe, kuste hem met haar rode lippen en redde hem.

LEAVE A RESPONSE

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *